Jemba had altijd gedroomd van het worden van dokter. Het zaadje van die droom werd geplant op de dag dat zijn moeder ziek werd. Hij was toen pas zeven, zat stil aan haar bed, hulpeloos toekijkend terwijl haar koorts woedde. De dorpskliniek was ver weg, en de enige verpleegkundige kwam eens per week. Tegen de tijd dat hulp arriveerde, was het al te laat. Vanaf die dag beloofde hij zichzelf dat niemand in Nawansenke ooit alleen zou hoeven lijden.